Termen dyscalculieonderzoek

In het dyscalculieonderzoek worden een aantal termen en begrippen gebruikt. Deze worden hieronder uitgebreid toegelicht.

Uitleg van termen

1. Rekenniveau

Om dyscalculie te kunnen vaststellen moet er sprake zijn van een flinke achterstand met rekenen ten opzichte van klasgenoten. Ook moeten de problemen met rekenen al enige tijd bestaan. Om de ernst en duur van de rekenproblemen te bepalen wordt in eerste instantie gekeken naar de prestaties op rekentoetsen op school (dit zal meestal de CITO-rekenen zijn). Aan de hand van de CITO resultaten bepaald worden hoe lang de rekenproblemen al bestaan en hoe ernstig de problemen zijn ten opzichte van leeftijdsgenoten.

Daarnaast worden tijdens het onderzoek 2 toetsen (TTA, 3DM) afgenomen waarbij naar de automatisering van de basis rekenbewerkingen (plus- en minsommen tot 20 en 100, keer- en deeltafels tot 10). Met automatisering wordt bedoeld dat gekeken wordt hoe snel en nauwkeurig uw kind ‘kale’ sommen kan uitrekenen. Kinderen met dyscalculie zijn vaak erg langzaam bij het uitrekenen van relatief eenvoudige sommen en/of maken veel fouten.

Tot slot wordt ook nog de WISC-rekenen afgenomen. Hierbij moet uw kind verhaalsommen uitrekenen. De sommen bij de WISC-rekenen zijn wat eenvoudiger dan bij de CITO-rekenen het geval is en er is weinig tijdsdruk (in tegenstelling tot de 3DM en TTA). Tezamen geven de bovenstaande toetsen een goed beeld van het rekenniveau van uw kind.

Aard van de rekenproblematiek

Naast de ernst van de rekenproblemen kijken we ook naar de aard van de rekenproblemen met behulp van de RID rekentoets. Daarbij kijken we naar de volgende zaken:

  1. Hoe is het begrip van de rekenbewerkingen? Begrijpt uw kind bijvoorbeeld dat er bij een minsom een hoeveelheid moet worden weggehaald, of dat bij een keersom groepjes gevormd moeten worden? Wij testen dit door uw kind een verhaal bij een som te laten verzinnen en een som te laten uit beelden met materiaal.
  2. Kent uw kind rekenstrategieën en past hij/zij deze ook correct toe? Weet uw kind bijvoorbeeld dat je bij een som als 37 + 8 eerst 3 erbij kunt doen om tot 40 te komen, en dan de overige 5 bij 40 kunt optellen? Wordt er veel gebruik gemaakt van doortellen (op de vingers)?
  3. Beheerst uw kind bij sommen tot 100 en 1000 de deelstappen die noodzakelijk zijn om sommen tot 100 en 1000 op te lossen? Zo is het bijvoorbeeld belangrijk dat een kind begrijpt hoe je een som als 45 + 30 moet oplossen voordat hij/zij de som 45 + 33 kan oplossen.
  4. Hoe zit het met de automatisering van de basis rekenbewerkingen (zie ook kopje 1)?
  5. Is uw kind in staat om een de rekenkennis ook flexibel toe te passen? Weet uw kind bijvoorbeeld welke som moet worden uitgerekend wanneer de som in een verhaalvorm wordt aangeboden?

Bovenstaande gegevens geven een beeld van waar in het rekenproces het precies mis gaat. Dit is noodzakelijk om een goed behandeladvies te geven, maar is ook belangrijk voor de diagnose: bij kinderen met dyscalculie is er sprake van een verstoring in de basis van het rekenen. Kinderen met dyscalculie hebben daarvoor vaak veel problemen met het begrijpen van relatief eenvoudige rekenbewerkingen en hebben moeite met het nemen van de juiste tussenstappen om tot een antwoord te komen. Hierdoor blijven ze soms hardnekkig tellen op hun vingers of door tellen in hun hoofd. Dit neemt veel tijd in beslag en werkt vaak niet goed zodra de sommen ingewikkelder worden.

Tot slot wordt ook (afhankelijk van de leeftijd van uw kind) gekeken naar de beheersing van overige rekenvaardigheden, zoals klokkijken, rekenen met tijd, verhoudingen, breuken, kommagetallen, procenten en maten. Deze informatie is belangrijk om een volledig beeld te krijgen van de rekenproblemen, en voor het behandeladvies.

Getalinzicht en getalverwerking

Om goed te kunnen rekenen is het van groot belang dat een kind inzicht heeft in getallen. Zo moet een kind begrijpen dat het getal ‘8’ staat voor 8 appels en uitgesproken wordt als ‘acht’. Daarnaast moet hij/zij de relaties tussen getallen kunnen begrijpen: 8 is meer dan 7 en minder dan 9. Deze getalvaardigheden vormen als het ware de onderste bouwstenen van de ‘rekentoren’.

Bij kinderen met dyscalculie is het getalinzicht vaak niet voldoende ontwikkeld. Zij hebben bijvoorbeeld moeite met het snel en efficiënt tellen, het bepalen welk van twee getallen groter is, het ordenen van een reeks getallen in de juiste volgorde of het plaatsen van een getal op een getallenlijn. Doordat de onderste bouwstenen van het rekenen niet voldoende zijn ontwikkeld zijn, is ook de rest van de rekentoren erg wankel.

Het getalinzicht wordt getest met behulp van de 3DM dyscalculie en enkele aanvullende opgaven van de RID rekentoets. De 3DM Dyscalculie kijkt niet alleen naar nauwkeurigheid maar vooral ook in hoeverre getalkennis geautomatiseerd is. Geautomatiseerde getalkennis is belangrijk om vlot te kunnen rekenen.

Algemeen intelligentieniveau

De relatie tussen rekenen en intelligentie is complex. Aan de ene kant kan een lager intelligentieniveau voor rekenproblemen zorgen. Zo zal een kind met een lagere intelligentie mogelijk meer moeite hebben met bijvoorbeeld het begrijpen van complexere rekenstof of het flexibel toepassen van rekenkennis. Ook kan het langer duren voordat rekenstof beklijft. Aan de andere kant zien we ook dat bepaalde aspecten die bij een intelligentie test getoetst worden, zoals ruimtelijk inzicht, over het algemeen lager uitvallen bij kinderen met dyscalculie.

Een intelligentiebepaling geeft daarom belangrijke informatie over de mate waarin verschillende aspecten van intelligentie een rol speelt bij de ondervonden rekenproblemen. Bovendien geeft het inzicht of, en in welke mate, iemand beschikt over mogelijkheden tot compensatie. Wilt u meer weten over intelligentieonderzoek, kijk dan hier: WISC-III, WISC-V, WAIS-IV[AV1].

Naar boven